Ga naar inhoud

rowi

Leden
  • Aantal items

    4
  • Registratiedatum

  • Laatst bezocht

Community reputatie

0 Neutraal

Over rowi

  • Titel
    Koolstof

Recente bezoekers van dit profiel

248 profielweergaven
  1. hypothese tektonische activiteit

    Verdere uitwerking. A. Geohistoriek. De radiale kracht vanuit de stroming kan zich omzetten ofwel in continentverschuiving (horizontale omzetting) ofwel door oplopende druk aan de randen in orogenese ( verticale omzetting) . Horizontale én verticale omzetting is mogelijk als de continenten uit elkaar drijven zoals heden plaatsvindt, bij pangea is er enkel verticale omzetting mogelijk. Bij de laatste pangea cyclus ontstonden aan de rand van pangea de Rocky Mountains en de Andes die door asymmetrische zwaartekrachtbelasting pangea terug uiteen deden vallen . Dit maakt deel uit van een cyclus : pangea - randorogenese - uiteenvallen - continentendrift - nieuw pangea etc. Deze cyclus voltrekt zich ongeveer iedere 200 miljoen jaar. Bij de continentverplaatsing neemt de druk in alle oceaangroeven langzaam toe naarmate de continenten zich verder van de groeve verplaatsen , de druk is maximaal na de vorming van pangea. Die oplopende druk veroorzaakt niet enkel orogenese aan de randen maar ook magmaërupties in de groeve zelf vooral in de noordelijke helft waar de vector het krachtigst is, iets wat wij nu zien gebeuren bij IJsland cfr. nog recent vorming van een nieuw eiland aan de zuidelijke rand van IJsland. De toenemende massa in deze zone blokkeert uiteindelijk de stroming waarbij de druk in de groeven verder toeneemt met toenemende randorogenese, toenemende randbelasting waardoor pangea uiteindelijk uiteenvalt. De oudste thans nog herkenbare orogenese is de caledonische voor ongeveer 500 miljoen jaar. De toen actieve oceaangroeve lag waar zich nu de grote Afrikaanse slenk bevindt. De thans nog aanwijsbare restanten van de caledonische orogenese die deze groeve obstrueerden liggen symmetrisch (rekening houdend met latere verschuivingen ) aan de noordkant van deze groeve. Hierna werd de Indische groeve actief met een verloop tot de noordpool die, voor ongeveer 300 miljoen jaar, bij de noordelijke obstructie de hercinische orogenese in gang zette. Het Oeral gebergte en Nova Zembla met hun aparte geologie en uitzonderlijke mineraalrijkdom zijn het noordelijk restant van de Indische groeve (noordelijk van de obstructie) , liggen in het verlengde ervan. Hierna ontstond midden de panthallassa de pacific groeve die bij obstructie ter hoogte van Alaska ( toenmalig equivalent van IJsland ) de alpiene orogenese veroorzaakte. De Indische groeve die geobstrueerd was door de hercynische orogenese boog westwaarts en creëerde zo de Thetys zee, nu de Middelandse zee met aanliggende alpiene gebergten (Alpen, Karpaten, Kauukasus, Iraanse bergen ) die alle een typische noordelijke convexe vorm hebben cfr; de grotere noordelijke tensor. Na het uiteenvallen van pangea door de massieve randorogenese aan de westelijke rand van de Amerika's (Andes, Rocky Mountains) ontstond de Atlantische groeve die thans de continenten verplaatst (uiteendrijft of terug samendrijft, afhankelijk vanuit welk standpunt je kijkt). Het afbreken van Indië van Antartica is het gevolg van de alpiene randorogenese ,de uitzonderlijke snelle noordelijke verplaatsing is veroorzaakt door de kanteling van het zwaardere noordelijke deel in de asthenosfeer waardoor het meer onderhevig was aan de grotere noordelijke vector. Deze hoge snelheid met dus zeer hoge kinetische energie deed bij de botsing met Azië de Himalayaketen ontstaan. De westelijke verplaatsing van Noord-Amerika dreef dit continent over de pacific groeve waardoor die thans via de St. Andreas groeve eindigt in de cul-de-sac van Yellowstone. De diverse episodes van opbouw en afbraak van pangea overlappen elkaar. Het thans dominante proces in de tektonische ombouw van de aarde is het slopen van de pacific plaat met subductie onder de euroäziatische en onder de amerikaanse platen , tegelijk is de terminale fase van afbraak van de noordelijke restant van de Indische groeve nog volop aan gang in de Middenlandse zee waar Afrika de laatste restanten onder Europa drijft terwijl het uiteenvallen van Afrika over de grote Afrikaanse slenk reeds opgestart is. De rijkdom aan vooral zeldzame metalen is opvallend voor gebieden die gelegen waren boven vroegere oceanische groeven: Oeral, de grote Afrikaanse slenk, Rocky Mountains. B. Toekomst ? Als over enkele tientallen miljoen jaren het nieuwe pangea gevormd is en de Atlantische groeve opstopt door vorming van nieuw land rond IJsland is er door toenemende druk orogenese aan de westelijke rand van Afrika en aan de oostrand van Amerika - de afgevlakte Appalachen worden hersteld in hun oude glorie- . Afrika valt uiteen over de grote slenk is waardoor de Afrikaanse groeve zich na honderden miljoenen jaren terug opent. Als die zich terug sluit is de Indische groeve aan de beurt, dan de pacific groeve, erna terug de Atlantische groeve etc. Zo tekent zich een repetitief patroon af van continue opbouw en afbraak van continenten/ pangea volgens een bepaald patroon met telkens een periode van 200 tot 250 miljoen jaar.
  2. hypothese tektonische activiteit

    Commentaar. Deze 'Rowi hypothese' is een poging om met de kosmische krachten tot een globale beschrijving te komen van de tektonische activiteit op aarde en vertrekt niet van inwendige krachten zoals convectiestroming door de inwendige aardwarmte (hypothese van Holmes) . Thermische convectie ( veroorzaakt door de belangrijke radioactiviteit in de mantel) volgt de wetten van de thermodynamica en levert het belangrijkste deel van de energie die nodig is om de tektonische activiteit gaande te houden maar de egale verdeling van de convectie over het aardoppervlak kan nooit de inegale verdeling van de tektonische activiteit verklaren. Vergelijk het met een rijdende wagen: de motor (convectie) levert een veel grotere energie dan de bestuurder (de noord/ zuid vector ) maar die bepaalt wel de richting van de wagen. De frictie tussen asthenosfeer en lithosfeer levert ook geen beduidende bijdrage aan de tektonische activiteit: de wet van Bernoulli is onafhankelijk van de frictie. De noord-zuid vector vindt zijn oorsprong in de schuine stand van de aardas t.o.v. het rotatievlak rond de zon. Die schuine stand wordt toegeschreven aan de botsing van de aarde met "Theia" waarbij de maan ontstond en waarbij door de enorme klap de aarde schuin ging staan. Uiteindelijk moet , door interne wrijving en energiedissipatie de aarde evolueren naar een eindstadium van synchrone en stabiele rotatie rond de zon (zoals de maan thans rond de aarde draait) maar dit proces zal vermoedelijk nooit voltooid raken aangezien het nog tientallen miljarden jaren duurt voor de aarde terug in die evenwichtstoestand raakt. Om het met een metafoor uit te drukken: tektonische fenomenen zijn late naweeën van de geboorte van haar (veel te groot) kind waarmeee moeder aarde en haar bewoners nog lang zullen geconfronteerd worden.
  3. global warming

    Twee miljoen jaar terug sloot zich de opening tussen Noord- en Zuid-Amerika door tectonische activiteit.Dit veroorzaakte een drastische afkoeling in het noordelijk halfrond met ijstijden als gevolg gedurende episodes van verminderde zonnestraling volgens de gekende Milankovitsch cycli. Ijsvorming deed zich evenwel niet voor over heel het noordelijk halfrond tijdens de koudecycli maar enkel in de gebieden beinvloed door de golfstroom. Er is geen reden om aan te nemen dat de Milankovitsch cycli zich niet voordeden in het Tertiair dat eindigde 2 miljoen jaar terug maar toch veroorzaakten die geen ijstijd. Dit wijst op een grotere activiteit van de golfstroom met b.v. groei van subtropische planten tot Noorwegen. Aangezien het waterniveau van de pacific ter hoogte van Panama ongeveer een halve meter hoger is dan dat van de Atlantische oceaan was er continue instroom van tropisch warm water die zich aansloot bij de golfstroom zoals wij die nu kennen. Er viel als het ware twee miljoen jaar terug een van de twee golfstroommotoren uit, een proces dat zich overigens langzaam voltrok met dus ook een langzame daling van de temperatuur tijdens het Tertiair in de gebieden beinvloed door de golfstroom. De openining van het Panamakanaal in 1914 markeert een plotse temperatuuromslag in de gebieden onder invloed van de golfstroom cfr. grafiek Wikipedia Global Warming. Het openen van de sluizen voor de thans meer dan 10.000 schepen die jaarlijks door het kanaal passeren brengt als het ware telkens een druppel warm tropisch pacificwater bij de golfstroom. Deze situatie is analoog aan die in het Tertiair maar verschilt er uitraard kwantitatief grondig van .Toch kan zij bijdragen aan de opwarming van de gebieden onder invloed van de golfstroom,in ieder geval is deze tendens minder duidelijk in gebieden niet onder invloed van de golfstroom. Er moet hiebij ook rekening gehouden worden met het feit dat de watermassa van de aarde 98% van de warmteenergie van het aardoppervlak bevat, een minieme variatie in watertemperatuur heeft dus uitgesproken effecten op de luchttemperatuur.
  4. Nieuwe hypothese over de krachten die de tektonische activiteit op aarde bepalen. "The driving forces remain enigmatic" aldus de Encyclopedia Brittanica. Het is de bedoeling om aan de hand van de gekende fysische wetten een hypothese te ontwikkelen die licht kan werpen op dit enigma. 1. De aandrijvende krachten. Voor berekeningen van gravitatiekracht en middelpuntvliedende kracht t.o.v. de zon stelt men de aarde dikwijls voor als een puntmassa waarbij beide krachten elkaar in evenwicht houden . In werkelijkheid is de aarde een sfeer met een radius van 6371 km en door de schuine stand van de aardas t.o.v. het omwentelingsvlak rond de zon staat de noordelijke of zuidelijke hemisfeer ieder half jaar afwisselend dichterbij of verderaf van de zon waardoor de omwentelingssnelheid van beide hemisferen rond de zon continu varieert en verschilt ( behalve op het moment van de equinox ) en dus ook de centrifugale kracht waardoor een noord / zuid vectorcomponent ontstaat. De noordelijke vector bereikt op 21 december zijn maximum omdat de noordelijke hemisfeer de hoogste omwentelingssnelheid rond de zon heeft . De zuidelijke maximale vector valt op 21 juni omdat de zuidelijke hemisfeer het verst vande zon staat ,etc. De noord / zuid vector is afwezig bij de equinox waarna hij noordelijk of zuidelijk gedurende 3 maand in kracht toeneemt , zijn maximale kracht bereikt bij de zonnewende en terug 3 maand in kracht afneemt etc. Door de grotere omwentelingssnelheid in het perihelium dan in het afhelium (wet van Keppler) is de maximale noordelijke vector ongeveer 5% krachtiger dan de zuidelijke ( het perihelium valt begin januari waabij de noordelijke helft van de aarde verder van de zon staat ). De noord / zuid variërende centrifugale vector correleert met een tegengestelde gravitatievector en de afgeleide getijdentensor. De krachtvariatie van de centrifugale vector is ongeveer 100 x sterker dan die van de getijdentensor zodat er verder geen rekening mee gehouden wordt met de getijdentensor. Duidelijk is dat de totale centrifugale kracht die de aarde ondervindt per definitie gelijk is aan de gravitatiekracht tussen zon en aarde. De toename van noordelijke vector van de centrifugale kracht wordt bv. volledig gecompenseerd door de afname van de zuidelijke vector en vice-versa waarbij de totale kracht gelijk blijft. De grootte van de kracht en de lange periode van energieoverdracht in één richting zorgen voor een jaarlijkse variatie in het oceaanniveau dat tegengesteld is tussen de noordelijke en zuidelijke hemisfeer maar is verder van geen belang voor de tektonische activiteit. Belangrijk voor de tektonische activiteit is dat de energieoverdracht voldoende is om de viscose asthenosfeer in een noord/zuid richting in beweging te brengen iets wat bv.niet mogelijk is door de veel zwakkere getijdetensor ( Holmes ). Wanneer de vector de stroming noordelijk of zuidelijk op gang brengt ontstaat rond de evenaar ter compensatie een opwaartse stroom die ondersteund wordt door convectie uit de diepere warmere lagen van de mantel. In noordelijke en zuidelijke richting daalt de stroming terug in de mantel door afkoeling. Op die wijze ontstaat een circulatie , verticaal opwaarts rond de evenaar, afbuigend en geleidelijk terug dalend noordelijk of zuidelijk. In het op- en neergaande deel van stroming werkt tegelijk een verticale kracht (convectie) en een horizontale kracht (noord- of zuid vector) waardoor turbulentie kan ontstaan. De lithosfeer t.h.v.de oceanen is dunner dan t.h.v. de continenten waardoor de stroming vooral onder de oceanen plaatsvindt . Aangezien het profiel van de lithosfeer t.o.v. de onderliggende asthenosfeer ongeveer een spiegelbeeld is van dat van het aardoppervlak (wet van Archimedes) stroomt de asthenosfeer onder de oceanen als in een omgekeerde rivierbedding met de omgedraaide continenten als randen. Aangezien de radius van de asthenosfeer het grootst is waar de lithosfeer het dunst is - meestal midden een oceaan (of waar vroeger een oceaan was) - is de wandspanning daar het hoogst (wet van Laplace) zodat daar een breuk in de lithosfeer ontstaat : de midoceanische groeve. Deze groeve blijft stabiel op haar plaats omdat zij ontstaan is op een zwakke plaats in de lithosfeer, ze kan wel door continentverschuiving onder een continent terechtkomen en door massieve gebergtes a. h. w. dichtgedrukt worden cfr. infra. De globale vorm van de oceanen bepaalt de aard van de noord-zuid stroming: laminair zoals in een openende conus, met drukopbouw in een sluitende conus, turbulent bij onregelmatige vorm. Bij een laminaire stroming is de stromingssnelheid het grootst in het centrum van de doorsnede, meestal het midden van de oceanen, het traagst aan de continentranden; de wet van Bernoulli leert dat een radiale impuls de continentranden uiteendrijft, dit effect ondersteunt de vorming en instandhouding van de mid-oceanische groeves. De om de 6 maand wisselende richting van de stroming geeft de radiale impuls een sinusoidaal karakter waardoor een ''boorhamer effect'' ontstaat waar de platen met elkaar in contact komen. Daardoor fragmenteren de dunnere oceanische platen, worden gebogen tot diepe oceanische slenken waarna ze subduceren. Op die wijze ondergaan de oceanische platen een continue recyclage van opbouw in de midoceanische groeves en afbraak bij de subductie. De stroming ondergaat het corioliseffect. 2. Stroming onder de oceanen - invloed op de continenten. a. Atlantische oceaan. De globale conusvorm zowel van de Noord-atlantische als van de Zuid-atlantische oceaan bevordert een laminaire stroming zowel in het noordelijk als zuidelijk deel van de oceaan met egale zijdruk op de oostelijke en westelijke rand die de centrale mid-atlantische groeve uiteen drijft. De Atlantische groeve is de enige oceaangroeve die doorloopt tot voorbij de noordpool , de dalende uitstroom vormt de vulkanische koepel van de Aleoeten. De egale druk maakt dat de aangrenzende continenten vrij zijn van vulkanisch activiteit of aardbevingen. Het uiteendrijven van de continenten kan als een harmonische energieomzetting gezien worden. In de omgeving van IJsland is er oplopende druk door stroomvernauwing tussen Groenland en Scandinavië én door het sluiten van de conus naar de noordpool toe. Dit leidt tot vorming van nieuw continent en de ermee gepaarde tektonische activiteit. Rond de evenaar ontstaat in de opstijgende stroming turbulentie met vulkanen: Kaap Verdië ... In de zuidelijke oceaan is er door het corioliseffect oostelijke afbuiging van de stroom onder Afrika waarna de stroming aansluit bij die van de Indische oceaan. b. Indische oceaan. De globale conusvorm creëert een laminaire stroom met een egale verdeling van de druk. Noordelijk vormt de Indische groeve de Arabische groeve die door een reeks gebergten westelijk afgebogen wordt in de Middelandse zee en verder met restanten van een oude Afrikaanse groeve (cfr. infra) doorloopt via de Atlas en de Canarische eilanden tot de Atlantische groeve. Opstijgende stroming met turbulentie rond de evenaar veroorzaakt vulkanisme (Réunion...). Door corioliseffect is er zuidelijk afbuiging van de stroming in oostelijke richting tot onder Australië waarna de stroming aansluit bij die uit de zuidelijke Pacific. c. Pacific Rond de evenaar vinden wij talrijke vulkanische archipels in de turbulente opstijgende stroming. De pacific groeve is noordelijk geobstrueerd door de westelijke verplaatsing van Noord- Amerika waarbij de Rocky Mountains over de groeve geschoven zijn, zij eindigt via de Sint- Andreasbreuk in de cul-de-sac van Yellowstone. Door deze obstructie is er overdruk in het pacific bekkken . Deze hoge druk vertaalt zich in de hogere snelheid van de stroming in het open zuidelijk deel van de pacific groeve met de grootste verplaatsingssnelheid van alle tektonische platen op aarde. Daarnaast is deze overdruk een belangrijke factor in de subductie van de diverse gefragmenteerde platen aan de rand van de pacific . De groeve verdwijnt zuidelijk onder Antartica waar ze nog te volgen is in een rij vulkanen ,veroorzaakt door turbulentie in de dalende stroming , waarna zij in de diepere mantel verdwijnt. d. Platentektoniet, continental drift. De laminaire stroming in de Atlantische oceaan drijft Noord-Amerika westelijk, Eurazië oostelijk. Het ''boorhamer effect'' van deze continenten op de pacific plaat fragmenteert de wanden van deze plaat waarna er subductie van de fragmenten plaatsvindt met randorogenese en sterke tektonische activiteit mede in de hand gewerkt door de overdruk in de pacific: "ring of fire". Daarnaast is er een globale noordelijke beweging van alle continenten ( behalve Antartica ) door de krachtiger noordelijke vector. Daardoor bevinden de archipels van Indonesië, de Filipijnen ( tussen Australië en Azië ) en de Caraïben (tussen Noord- en Zuid-Amerika) zich in een compressiezone met sterke tektonische activiteit. De krachtiger noordelijke vector verklaart waarom het overgrote deel van de continenten zich thans op de noordelijke hemisfeer bevinden. Antartika ontspringt de continentendans omdat het gefixeerd wordt door omliggende breuklijnen die de resultante zijn van de stroming uit de 3 zuidelijke oceanen die door het corioliseffect een west-oost richting aanneemt. e. Geohistoriek: zie infra.
×