Ga naar inhoud

rowi

Leden
  • Aantal items

    11
  • Registratiedatum

  • Laatst bezocht

Community reputatie

0 Neutraal

Over rowi

  • Titel
    Maanstof
  • Verjaardag 15-09-1945

Profielgegevens

  • Geslacht
    Man
  • Locatie
    west vlaanderen
  • Interesses
    geofysica - klimaatverandering - theoretische kwantumfysica - evolutieleer.

Recente bezoekers van dit profiel

1.167 profielweergaven
  1. Bij de 'meting' van electromagnetische straling zet de energie van de straling om in massa E = mc² én - door het 'ontstaan' van m - in een nieuw gravitatieveld met dezelfde voortplantingssnelheid als een electromagnetisch krachtveld en dezelfde krachtsvermindering, evenredig met het kwadraat van de afstand. Bij de 'meting' -die een vorm van energie-omzetting is - vergroot de entropie van het electromagnetisch veld tot zijn maximum , het gravitatieveld vormt een electromagnetisch veld met minimale energie. De minimale energie wordt bereikt als de golflengte de grootte is van het universum en hieruit kan de frequentie berekend worden . Die is extreem klein met dus een extreem kleine energie van het graviton waardoor het verwaarloosd wordt in kwantum berekeningen en niet terug te vinden in E=mc² maar op de voorgrond komt in de klassieke mechanica als integraal = zwaartekracht. De Planckconstante fungeert als een draaipunt van de vector van electromagnetische straling, een Mach 1 getal . Electromagnetische energie met een frequentie groter dan 1 is afstotend, gravitatie is aantrekkend. Door de vectordraaiing kan de energie in een graviton kleiner worden dan vereist door de Planckconstante. Als het universum uitzet is de totale energie van de electromagnetische straling met een frequentie boven 1 groter dan de totale gravitatie-energie. Als het graviton een golflengte heeft ter grootte van het universum neemt zijn energie af bij uitzetting van het universum, de zwaartekrachtconstante vermindert evenredig en is dus niet 'constant' maar relatief wat aangetoond werd in de algemene relativiteitstheorie. Zo is kwantumfysica in te passen in de algemene relativiteitstheorie.
  2. Blijf maar goede dingen doen, geen enkele wet van de fysica verbiedt dit.
  3. Bemerk de gelijkenis van de situatie in de noordelijke Pacific en in de noordelijke Indische oceaan: beide zijn noordelijk afgesloten druksystemen en vertonen een 'ring of fire'. In de noordelijjke Indische oceaan is de subductiezone in het westen en in het noorden evenwel gelegen op het continent: in het westen is dit de grote Afrikaanse slenk (subductie wordt hier dikwijls 'graben' genoemd) , in het noorden is dit de Himalaya keten waaronder Indie subduceert, in het oosten volgt de subductiezone min of meer de kustlijn.
  4. De afwezigheid van tektonische activiteit op de planeet Venus kan verklaard worden door de zeer kleine schuine as van deze planeet: 3 gr. i. v. m. 23 gr. van de aarde.
  5. Short english summary The tilt of the earth creates a difference in velocity between the northern and the Southern hemisphere according to the season. This causes a constantly changing centrifugal force which brings the asthenosphere in movement. According to the form of the oceans this force creates a stream as in the Atlantic or a build up of tension as in the Indian and in the Pacific causing tectonic activity.
  6. Nieuwe hypothese over de krachten die de tektonische activiteit op aarde bepalen. "The driving forces remain enigmatic" aldus de Encyclopedia Brittanica. Het is de bedoeling om aan de hand van de gekende klassieke fysische wetten een hypothese te ontwikkelen die licht kan werpen op dit enigma. 1. De aandrijvende krachten. Voor berekeningen van gravitatiekracht en middelpuntvliedende kracht t.o.v. de zon stelt men de aarde meestal voor als een puntmassa waarbij beide krachten elkaar in evenwicht houden. De gravitatiekracht is een centripetale kracht, die vanuit één punt , het zwaartepunt te berekenen is. De centrifugale kracht is voor ieder punt van een volume anders , evenredig met het kwadraat van de momentane snelheid en omgekeerd evenredig met de afstand, het is een tensor met een continu variabele waarde over de diameter van de massa, voor de aarde een sfeer met een radius van 6371 km. Door de schuine stand van de aardas t.o.v. het omwentelingsvlak rond de zon staat de noordelijke of zuidelijke hemisfeer ieder half jaar afwisselend dichterbij of verderaf van de zon en vertoont een verschillende omwentelingssnelheid rond de zon ( behalve op het moment van de equinox ) waardoor een halfjaarlijks wisselende noord / zuid vectorcomponent in de centrifugale kracht van de aarde ontstaat. De noordelijke vector bereikt zijn maximum tijdens de december solstice omdat de noordelijke hemisfeer dan het verst van de zon afstaat en de hoogste omwentelingssnelheid heeft . De zuidelijke maximale vector valt tijdens de juni solstice als de zuidelijke hemisfeer dan het verst vande zon staat. De noord / zuid vector is afwezig bij de equinox waarna hij noordelijk of zuidelijk gedurende 3 maand in kracht toeneemt , zijn maximale kracht bereikt bij de solstice en terug 3 maand in kracht afneemt etc... De gravitatiekracht zon-aarde en de centrifugale kracht van de aarde zijn globaal aan elkaar gelijk maar beantwoorden aan andere fysische wetten. Zo is voor de centrifugale kracht de snelheid de belangrijkste factor terwijl die onbelangrijk is voor de gravitatiekracht, voor de gravitatiekracht is de massa van de zon de belangrijkste factor terwijl die onbelangrijk is voor de centrifugale kracht. De maximale centrifugale kracht tijdens de solstice is ongeveer 100 x groter dan die van de maximale getijdenkracht van de zon (en dus ongeveer 50 x groter dan de maximale getijdenkracht van de maan ) zodat er verder geen rekening gehouden wordt met de getijdenkracht. Duidelijk is dat de totale centrifugale kracht van de aarde gelijk is aan de totale gravitatiekracht zon - aarde, de toename van noordelijke kracht is gelijk aan de afname van de zuidelijke kracht en vice-versa. De grootte van de kracht en de lange periode ( 6 maand ) van energieoverdracht in één richting zorgen voor een halfjaarlijkse variatie in het oceaanniveau dat tegengesteld is tussen de noordelijke en zuidelijke hemisfeer. De om de 6 maand wisselende kracht verklaart de reeds lang gedocumenteerde seizoensgebonden variatie in frequentie en intensiteit van tektonisch activiteit zoals aardbevingen. Belangrijk voor de tektonische activiteit is dat de kracht voldoende groot is om de viscose asthenosfeer in een noord/zuid richting in beweging te brengen wat bv. niet mogelijk is met de veel zwakkere getijdenkracht ( Holmes ). De oost-west centrifugale krachtvariatie veroorzaakt door de omwenteling van de aarde om haar eigen as die het grootst is op de evenaar wisselt om de 12 uur, deze periode is te kort om stroming op gang te brengen, de energie wordt in warmte omgezet zodat er verder geen rekening mee gehouden wordt. Wanneer de stroming noordelijk of zuidelijk op gang komt ontstaat rond de evenaar een opwaartse stroming door convectie uit de diepere warmere lagen van de mantel. In noordelijke of zuidelijke richting daalt de stroming terug in de mantel door afkoeling. Op die wijze ontstaat een circulatie , verticaal opwaarts rond de evenaar, afbuigend en geleidelijk terug dalend 6 maand noordelijk en 6 maand zuidelijk. In het op- en neergaande deel van stroming werkt tegelijk een verticale kracht (convectie) en een horizontale kracht (noord- of zuid vector) waardoor turbulentie kan ontstaan. De lithosfeer t.h.v.de oceanen is dunner dan t.h.v. de continenten waardoor de stroming vooral onder de oceanen plaatsvindt . Aangezien het profiel van de lithosfeer t.o.v. de onderliggende asthenosfeer ongeveer het spiegelbeeld is van dat van het aardoppervlak ( Archimedes) stroomt de asthenosfeer onder de oceanen als in een omgekeerde rivierbedding met de omgedraaide continenten als randen. Aangezien de radius van de asthenosfeer het grootst is waar de lithosfeer het dunst is - meestal midden een oceaan - is daar de wandspanning het hoogst (wet van Laplace) zodat daar een breuk in de lithosfeer ontstaat : de midoceanische groeve. De stroming kan geblokkeerd worden als de groeve door continentverschuiving onder een continent terechtkomt of door vorming van nieuwe massieve landmassa's dichtgedrukt wordt cfr. infra. De globale vorm van de oceanen bepaalt de aard van de noord-zuid stroming: laminair zoals in een open conus, met drukopbouw in een gesloten conus. Bij een laminaire stroming ( zoals in de noordelijke Atlantische oceaan ) is de stromingssnelheid het grootst in het centrum, meestal het midden van de oceanen en het traagst aan de continentranden waardoor een radiale impuls de continentranden uiteendrijft ( Bernoulli ) en nieuwe oceanische plaat aangemaakt wordt in de centrale oceanische groeve. In een gesloten conus (zoals de noordelijke pacific ) is weinig stroming maar drukopbouw waardoor de oceanische platen onder de continenten verticaal ombuigen tot diepe oceanische slenken met randorogenese waarna ze subduceren onder de overschuivende continentale platen. De asthenosfeer en de lithosfeer gedragen zich hier als een veer (asthenosfeer) / massa ( lithosfeer) waarbij de toenemende druk zich plots ontlaadt in kinetische energie met subductie, aardbeving, orogenese etc. Op die wijze ondergaan de oceanische platen een continue recyclage waarbij in de ene oceaan opbouw plaatsvindt (thans bv. in de midoceanische groeve van de Atlantische oceaan) en tegelijk in een andere oceaan afbraak door subductie (thans bv. in de noordelijke pacific). Deze cyclus duurt ongeveer 300 miljoen jaar zodat geen oceanische plaat ouder dan 300 miljoen jaar bekend is. 2. Stroming onder de oceanen - invloed op de continenten. a. Atlantische oceaan. De globale conusvorm zowel van de Noord-atlantische als van de Zuid-atlantische oceaan bevordert een laminaire stroming met egale zijdruk op de oostelijke en westelijke rand . De Atlantische groeve loopt door tot voorbij de noordpool , de dalende turbulente uitstroom vormt de vulkanische koepel van de Aleoeten die tegelijk de rand vormt van de noordelijke pacific. De egale zijdruk die eigen is aan een laminaire stroming maakt dat de aangrenzende continenten vrij zijn van vulkanisch activiteit of aardbevingen: het uiteendrijven van de continenten kan als een harmonische energieomzetting gezien worden. In de omgeving van IJsland is er oplopende druk en turbulentie in de groeve door stroomvernauwing en versnelling tussen Groenland en Scandinavië én door het sluiten van de conus naar de noordpool toe. Dit leidt tot sterke tektonische activiteit rond IJsland met vorming van nieuwe landmassa. Rond de evenaar ontstaat in de opstijgende stroming turbulentie met vulkanen: Kaap Verdië , St. Helena... In de zuidelijke oceaan voegt de groeve zich bij de ringgroeve rond antartica. b. Pacific Rond de evenaar zijn er talrijke vulkanische archipels in de turbulente opstijgende stroming. De pacific groeve is noordelijk geobstrueerd , aanvankelijk bij de vorming van Alaska (analoog van IJsland) en door de westelijke verplaatsing van Noord- Amerika waarbij de Rocky Mountains over de groeve geschoven zijn cfr. infra. Zij loopt nu via de Sint- Andreasbreuk tot Yellowstone. Door deze obstructie vormt de noordelijke pacific een compressiekamer afgeboord door verticale subducerende randplaten. De noordelijke gesloten compressiekamer is gekoppeld aan de open zuidelijke werkkamer waarbij een efficiënte omzetting in kinetische energie plaatsvindt met een zeer snelle verplaatsing van de pacific platen ( tot 10x sneller dan in de Atlantische oceaan ) én in een zeer hoge tektonische activiteit aan de pacific rand ( ring of fire ). Hawaï vormt een centrale decompressiekamer met de hoogste vulkanen ter wereld ( meer dan 10.000 m. vanaf de oceaanbasis ) , rond Yellowstone wordt de compressiekamer afgesloten door een ventiel dat zich ongeveer om de 600.000 jaar opent. De hoge kinetische energie van de zuidelijke stroming drijft die voorbij de ringgroeve rond antartica waar ze in haar turbulent dalend deel een rij vulkanen over Antartica vormt. In tegenstelling tot de noordpool waar de stroming in de Atlantische groeve zich verderzet tot voorbij de noordpool wordt de stroming geblokkeerd door de massa van Antartica waar overdruk ontstaat. Dit vormt de motor van de verder besproken resonantiegolf. c. Indische oceaan. De noordelijke helft is zoals in de pacfic afgesloten door de Himalaya en aangrenzende bergketens waardoor drukopbouw en subductie aan de rand : Indonesie, Thailand, India dat verder onder de Himalaya gedreven wordt, de oostelijke Middenlandse zee onder Turkije. De graben in de grote Afrikaanse slenk vormt het beginstadium van subductie van het oostelijk deel van Afrika. In al deze subductiegebieden heerst grote tektonische activiteit. d. Continental drift. De laminaire stroming in de Atlantische oceaan drijft Noord-Amerika westelijk, Eurazië oostelijk. Alle continenten ( behalve Antartica) bewegen noordelijk door de noordelijke resonantiegolf cfr. infra. Daardoor bevinden de archipels van Indonesië, de Filipijnen ( tussen Australië en Azië ) en van de Caraïben (tussen Noord- en Zuid-Amerika) zich in een compressiezone met sterke tektonische activiteit. De Indonesische en Filipijnse archipel ligt daarenboven tussen een oostelijke en westelijke subductiezone en vertoont de hoogste tektonische activiteit op aarde. Antartika ontspringt de continentendans omdat de resonantiegolf zich noordelijk verplaatst vanaf de ringvormige groeve waarmee het omgeven is. 3. Geohistoriek: zie infra.
×
×
  • Nieuwe aanmaken...

Belangrijke informatie

We hebben cookies geplaatst op je toestel om deze website voor jou beter te kunnen maken. Je kunt de cookie instellingen aanpassen, anders gaan we er van uit dat het goed is om verder te gaan. Door het gebruiken van onze site ga je eveneens akkoord met de Gebruiksvoorwaarden en het Privacybeleid.