Ga naar inhoud
rowi

hypothese tektonische activiteit

Aanbevolen berichten

Hypothese over de krachten die de magmastroming en de eraan verbonden tektonische activiteit op aarde bepalen. "The driving forces remain enigmatic" aldus de Encyclopedia Brittanica. Het blijft wetenschappelijk verantwoord nieuwe hypotheses te formuleren.

1. De aandrijvende krachten.

Voor berekeningen van gravitatiekracht en middelpuntvliedende kracht t.o.v. de zon stelt men de aarde dikwijls voor als een puntmassa waarbij beide krachten elkaar in evenwicht houden maar  in werkelijkheid is de aarde een sfeer met een radius van 6371 km samengesteld uit vaste en vloeibare componenten. Door de  schuine stand van de aardas t.o.v. het omwentelingsvlak rond de zon staat het noordelijk of zuidelijk deel van de aarde ieder half jaar afwisselend dichterbij of verderaf van de zon met parallel hieraan een centrifugaal- en een gravitatievector die continu ,vertrekkend uit het centrum van de aarde, een andere radiaal doorsnijden . Deze  elkaar tegengestelde vectoren zijn niet parallel  zijn aan het evenaarsvlak (behalve op de equinox) , ze kunnen opgesplitst worden in een oost-west vector en een noord-zuid vector. Voor het noordelijk halfrond b.v. bevindt zich op 21 december het maximum van de centrifugale vector op de kreeftskeerkring die dan het verst van de zon afstaat en de hoogste omwentelingssnelheid rond de zon heeft met de grootste noordelijke tangentiële versnelling. Voor het zuidelijk halfrond is b.v. de maximale gravitatievector op 21 december gelokaliseerd op de steenbokskeerkring  die dan het dichtst bij de zon staat ,etc. De noord-zuid componenten zijn afwezig op de equinox waarna beide vanuit de evenaar in tegengestelde richting afwisselend naar de kreefts- of steenbokskeerkring op en af migreren gedurende 6 maand met maximale kracht bij de zonnewende. De lange periode van 6 maand resulteert in  een grote energieoverdracht die de vloeibare componenten van de aarde, water en magma, in beweging brengt.

De gravitatiekracht varieert met het kwadraat van de afstand tot de zon, de centrifugale kracht met de afstand. Voor de stroming is de variatie van de gravitatiekracht belangrijker dan die van de centrifugale kracht, per half jaar is de stromingssnelheid groter in ofwel het noordelijk ofwel het zuidelijk deel van de aarde.

In de oceanen werkt de oost - west vector mee met de gravitatiekracht van de maan aan de getijden en is de noord - zuid vector verantwoordelijk voor de zesmaandelijkse variatie van het waterpeil. De oost-west vector heeft een te korte periode (12 uur) om in het  sterk viskose magma stroming te genereren, de energie wordt  omgezet in warmte.

De periode van de  noordelijke en zuidelijke vector is voldoende lang om een magmastroom in gang te zetten in noordelijke of zuidelijke richting. Rond de evenaar ontstaat er tegelijk een opwaartse stroom die ondersteund wordt door convectie uit de diepere warmere lagen van de mantel. In noordelijke en zuidelijke richting daalt de magmastroom in de mantel door afkoeling. Op die wijze ontstaat in het noordelijk en zuidelijk deel van de aardmantel een circulatie van magma, in verticale richting opwaarts rond de evenaar, afbuigend noordelijk of zuidelijk, door afkoeling geleidelijk terug dalend in de mantel. In het op-en neergaande deel van stroming werkt tegelijk een verticale kracht (convectie) en een horizontale kracht (noord- zuid vector) waardoor turbulentie ontstaat. 

De lithosfeer t.h.v.de oceanen is dunner dan t.h.v. de continenten waardoor de magmastroom  vooral onder de oceanen plaatsvindt . Aangezien het profiel van de lithosfeer t.o.v. de onderliggende asthenosfeer ongeveer een spiegelbeeld is van dat van het aardoppervlak (wet van Archimedes) stroomt het magma onder de oceanen als in een omgekeerde rivierbedding met de omgedraaide continenten als randen.  De globale vorm van de oceanen  bepaalt de aard van de noord-zuid stroming: laminair zoals in een conus, turbulent bij onregelmatige vorm, in een vortex bij koepelvorm.Bij een laminaire stroming is de stromingssnelheid het grootst in het centrum van de doorsnede, meestal het midden van de oceanen, het traagst aan de continentranden; de wet van Bernoulli leert dat een radiale impuls de continentranden uiteendrijft. De stroming vertoont het corioliseffect. De stroming veroorzaakt beweging van de tektonische lithosfeerplaten met aardbevingen, vulkanisme etc. door occlusie, frictie en sub-of supraductie.

 2. Magmastroming onder de oceanen - invloed op de continenten. 

a.  Atlantische oceaan.

De globale conusvorm zowel van de Noord-atlantische als van de Zuid-atlantische oceaan bevordert een laminaire stroming zowel in het noordelijk als zuidelijk deel van de oceaan met egale zijdruk op de oostelijke en westelijke rand die de centrale mid-atlantische groeve uiteen drijft. De egale druk maakt dat de aangrenzende continenten vrij zijn van vulkanisch activiteit of aardbevingen. Op de mid-atlantische breuklijn zijn op ritmische afstanden kleine dwarsbreuken -correlerend met draairichting van de stroming- aanwezig die de gemiddelde snelheid van het magma op  ongeveer 50 m. p. u. bepalen. Rond de evenaar ontstaat in het opstijgend magma turbulentie met vulkanen: Kaap Verdië ... Noordelijk is er turbulentie  in de dalende stroom met vulkanische activiteit cfr. Ijsland. In de zuidelijke oceaan  is er door het corioliseffect oostelijke afbuiging van de stroom onder Afrika met een noordelijke impuls op Afrika waarna de stroming aansluit bij die van de Indische oceaan.

b. Indische oceaan.

De globale conusvorm creëert  een laminaire stroom met een egale verdeling van de druk. Zoals in de Atlantische oceaan ontstaat een mid-oceanische groeve met op egale afstand kleinere dwarsbreuken. Noordelijk bevindt zich de Arabische groeve. Opstijgend magma met turbulentie rond de evenaar veroorzaakt vulkanisme (Réunion...). Door corioliseffect is er afbuiging van de stroom in oostelijke richting  tot onder Australië waardoor zowel Indië als Australië noordelijk gedreven worden waarna de stroom aansluit bij die uit de zuidelijke Pacific. 

c. Pacific.

De enorme grootte van de noordelijke pacific veroorzaakt een zeer krachtige stroming . In het evenaarsgebied  is er vorming van talrijke vulkanische archipels in de turbulente opstijgende magmastroom. Door de noordelijke koepelvorm ontstaat een  vortex die door het Venturi effect Eurazië en Noord- Amerika aantrekt. Door de turbulentie  aan de vortexrand fragmenteert de pacificplaat met chaotische beweging van de fragmenten , subductie , diepzeetroggen, sterke aardbevingen en vulkanisme: noordelijk deel van de "ring of fire" . De vortex belet de ontwikkeling van een midoceaangroeve ; centraal in de vortex  grotere druk met vorming van nieuwe eilanden (Hawaï).

In de zuidelijke  pacific is er door de grootte ook zeer krachtige stroming die door het corioliseffect zuidoostelijk afbuigt. De vorm is globaal conisch met laminaire stroming en een oceanische groeve. De dwarsbreuken liggen  gemiddeld verder uiteen dan in de Atlantische oceaan door de grotere stromingssnelheid die berekend kan worden op gemiddeld ongeveer 125m.p. u. Door de vernauwining van het stroomgebied op de hoogte van Nieuw-Zeeland ontstaat  bijkomende stroomversnelling die ook in de hand gewerkt wordt door de aansluitende stroom uit de Indische oceaan met aan beide randen een krachtige zijdelingse impuls die plaatfragmentatie, subductie, aardbevingen en vulkanisme veroorzaakt: zuidelijk deel van de "ring of fire". De oceanische groeve wordt met een grote kracht uiteen gedreven met onderzeese gebergten rond de groeve die hoger zijn dan in de Atlantische oceaan, ze zet zich noordelijk door tot in de golf van Californië en de St-Andreasbreuk. Door het Corioliseffect buigt de stroming oostelijk af tot tegen het continent ter hoogte van Zuid-Chili. In het turbulente neerdalend deel van de stroming ligt Vuurland, het zuidelijk equivalent van Ijsland, waarna de stroming zich aansluit bij die uit de zuidelijke Atlantische oceaan,  zo een gesloten ring  vormend rond Antartica.

d. Platentektoniet, continental drift.

De laminaire stroming in de Atlantische oceaan drijft Noord-Amerika westelijk, Eurazië oostelijk.  De grotere lengte van de Atlantische groeve t.o.v. de groeve in de Indische oceaan creëert een globale oostelijke kracht op Afrika dat daarnaast ook een noordelijke impuls ondervindt  vanuit  de  zuidelijk omtrekkende Atlantische groeve wat een centraal draaimoment veroorzaakt waardoor de grote Afrikaanse slenk ontstaat.  De laminaire stroming onder Australië  drijft dit continent noordelijk. De eilandenarchipels tussen Eurazië en Australië ( Indonesië, Filipijnen...) zitten in de compressiezone tussen Eurazië en Australië en kennen sterke aardbevingen en vulkanisme,  zij vormen het westelijk middendeel van de 'ring of fire'. De pacific plaat roteert  mee met de vortex .Door de krachtige stroming fragmentatie van de wand en subductie zodat de plaat kleiner wordt. De bewegingssnelheid van de diverse platen in de pacific is  gemiddeld 2 à 3 x sneller dan die in de Atlantische en Indische oceaan conform de hogere stromingssnelheid. 

De globale beweging van Afrika, Eurazië , Australië en Noord-Amerika is gericht naar de noordelijke pacific door het Venturi effect van de vortex.

 Zuid-Amerika, dat gefixeerd is tussen twee breuklijnen, beweegt noordoostelijk (richting Noord-Amerika)  door de omtrekkende zuidelijke pacific stroming die krachtiger is dan de Zuid-atlantische stroming. Dit leidt in de Caraïben en in Midden-Amerika tot een compressiezone met sterke tektonische activiteit.

Antartika ontspringt de continentendans omdat het gefixeerd wordt door omliggende  breuklijnen die de resultante zijn van de stroming uit de 3 zuidelijke oceanen die door het corioliseffect een west-oost richting aanneemt. Vanuit deze ringvormige gordel worden alle overige landmassa's noordwaarts gedreven waardoor die overwegend op het noordelijk halfrond te vinden zijn.In de dalende magmastroom is er vulkanische activiteit op Antartica.                    

aangepast door rowi

Deel dit bericht


Link naar bericht
Delen op andere sites

Commentaar.

Deze 'Rowi hypothese' is een poging om met de kosmische krachten tot een globale beschrijving te komen van de tektonische activiteit op aarde en vertrekt niet van inwendige krachten zoals convectiestroming door de inwendige aardwarmte (hypothese van Holmes) . Thermische convectie  bestaat, moet bestaan volgens de wetten van de thermodynamica en draagt bij aan het vertikaal deel van de magmastroming maar de richting van de stroming wordt bepaald door uitwendige kosmische krachten. Deze theorie leidt tot een betere verklaring van de geografische distributie van de diverse vormen van tektonische activiteit.

De werkzame krachten vinden hun oorsprong in de schuine stand van de aardas t.o.v. het rotatievlak rond de zon. Die schuine stand wordt toegeschreven aan de botsing van de aarde met "Theia" waarbij de maan ontstond en waarbij door de enorme klap de aarde schuin ging staan. Uiteindelijk moet , door interne wrijving met energiedissipatie de aarde evolueren naar een eindstadium van synchrone en stabiele rotatie rond de zon (zoals de maan thans rond de aarde draait) maar dit proces zal vermoedelijk nooit voltooid raken aangezien het nog tientallen miljarden jaren duurt voor de aarde terug in deze evenwichtstoestand raakt. Om het met een metafoor uit te drukken: tektonische fenomenen zijn naweeën van de geboorte van haar (veel te groot) kind  waarvan moeder aarde en haar bewoners nog niet zo snel af zijn....En om de metafoor door te trekken: de magmastroom is als de bloedstroom van moeder aarde, aangedreven door een hartslag van 6 maand, de oceanische groeven zijn bloedende scheurtjes in de slagaders en de bergketens errond bloedstolsels...

 

aangepast door rowi

Deel dit bericht


Link naar bericht
Delen op andere sites

Maak een account aan of log in om te reageren

Je moet een lid zijn om een reactie te kunnen achterlaten

Account aanmaken

Registreer voor een nieuwe account in onze community. Het is erg gemakkelijk!

Registreer een nieuwe account

Inloggen

Heb je reeds een account? Log hier in.

Nu inloggen


×